Hulpschema ‘samenhang in leerstof’ bij vakoverstijgende projecten

In een aantal gevallen bleek het bijgaande schema een handig hulpmiddel om te inventariseren welke leerstof en welke vaardigheden aanwezig zijn in een bepaald project. Dit is van belang bij het plannen van leerstofvervangende projectactiviteiten. Het schema kan op twee manieren gebruikt worden: variant A of variant B.

A. Er wordt een project ontwikkeld waar veel leerzame activiteiten, momenten en opdrachten in verwerkt zitten uit diverse vakken. Bijvoorbeeld de opdracht die wij kregen van Inge en Fatima in Nijmegen. Wanneer een dergelijk project in concept klaar is (d.w.z. na het creatieve ontwerpmoment), analyseer dan met het formulier wat er in zit. Ga als volgt te werk:
Start in kolom 1 ‘Activiteit/opdracht’ . Gebruik die kolom om alle deelactiviteiten (opdrachten, vragen, taken, werkvormen etc) apart aan te geven. Eén activiteit per cel. Kies voor natuurlijke eenheden, bijvoorbeeld in het opdrachtenboekje van Inge en Fatima: de route lopen en het gebouw zoeken – de eerste indrukken – gericht kijken en beschrijven – afronden.
Analyseer vervolgens iedere eenheid en gebruik daarvoor de aanduidingen van de overige kolommen.
In het opdrachtenboekje vind je diverse taken of leeractiviteiten verwerkt: waarnemingstaken, beschrijvingstaken, tekentaken, redeneertaken, meningsvorming, teltaken, ordeningstaken (matrix), vergelijkingstaken etc. Maar ook samenwerkingstaken, planningstaken en presentatietaken (blz. 1 en afronding) zitten verscholen in het opdrachtenboekje. Sommige taken hebben betrekking op vakinhouden (Gs, Wi, Te, CKV), anderen op vakspecifieke vaardigheden en op algemene vaardigheden; vaak zijn het combinaties. In iedere rij van het schema (dus bij één deelactiviteit) kunnen vaak meerdere leerstofaspecten of vaardigheden van verschillende vakken ‘gescoord’ worden. Waar mogelijk kan aangegeven worden welke betrokkenheid deze activiteit bij de leerlingen oproept of welk motivationele aspect een rol speelt (kolom 6).

Nadat op deze wijze van het hele project alle stof en vaardigheden geanalyseerd zijn, kan bekeken worden waar en in hoeverre het project leerstofvervangend is (controleren tegen leerstoflijnen/hoofdstukken van de methoden, vakwerkplannen, studiewijzers, examenprogramma of PTA’s). Wanneer er onvoldoende samenhang is, of wanneer er meer evenwicht gebracht kan worden in de stof, dan kan het project nogmaals bekeken worden en aangevuld of verbeterd worden.

B. Om een project, waar meerdere vakken bij samenwerken, zodanig te ontwerpen dat er een goede leerstofinhoudelijke samenhang is met een goede mix van vakspecifieke en algemene vaardigheden kan men ook het schema gebruiken voorafgaande aan het creatieve moment van het ontwerpen van de opzet. Docenten onderhandelen dan eerst over welke vakken welke stof en vaardigheden ze aan de orde willen stellen, door het invullen van het schema. Daarna bedenken ze een motiverend kader (bijvoorbeeld een Cultureel Erfgoed –project) om vervolgens activiteiten, opdrachten, vragen te bedenken waarmee stof en vaardigheden aan de orde kunnen komen.

Roostermodellen voor vakoverstijgende Cultureel Erfgoed projecten

 

  • Alles in een week!
  • Projectweek als toepassing en afsluiting
  • Project in het reguliere rooster verdeeld over enige weken of een rapportperiode

Alles in een week

Alle aspecten van het project worden in één week georganiseerd en uitgewerkt: oriënteren en motiveren, plannen maken, inoefenen deelvaardigheden, kennis overdragen, deelvaardigheden toepassen en kennis verwerken, opdrachten uitvoeren binnen en buiten de school, presentaties voorbereiden en maken, reflecteren op houding en leerproces, resultaten presenteren en terugkijken. De leerlingen krijgen een werkwijzer hiervoor.

In een projectweek wordt de gebruikelijke groepsindeling losgelaten en worden alle leerlingen verdeeld over zorgvuldig samengestelde projectgroepen van 10 – 15 leerlingen. Deze groep blijft de hele week bij elkaar samen met één docent, de groepsmentor (eventueel voor sommige activiteiten ondersteund door een klassenassistent en/of ouders). Een projectgroep mag een eigen groepsnaam kiezen. Binnen deze projectgroep worden werkgroepjes gevormd van 3 tot maximaal 5 leerlingen voor zelfstandig uit te voeren leer-, werk-, onderzoeks- en presentatietaken. De groep heeft, indien mogelijk, op sommige uren een vast werklokaal. Ook de bibliotheek of het informatiecentrum en de handenarbeid/technieklokalen moeten worden ingeroosterd.

Het gebruikelijke rooster wordt voor de leerlingen die aan het project meedoen, vervangen door een speciaal projectrooster, al dan niet in blokuren. In principe worden alle uren begeleid of gesuperviseerd door de groepsmentor (al dan niet op afstand), met uitzondering van de ‘spreekuren’ of vakgerichte begeleidingsuren. De werkgroepjes kunnen dan informatie en hulp krijgen van vakdocenten bij specifieke onderdelen of taken.

Iedere projectdag begint en eindigt op school onder leiding van de groepsmentor (ook bij buitenschoolse activiteiten van zelfstandige werkgroepjes!). Het einde van de dag houdt in dat de hele projectgroep terugkijkt en vooruitkijkt, dat ze reflecteert over de eigen werkwijze/leerproces (m.b.v. het logboek) en dat de werkgroepjes binnen de projectgroep elkaar helpen bij het oplossen van problemen. Soms – afhankelijk van het overkoepelend thema, de leerstofinhoudelijke basis van het project en de reeds aanwezige ‘competenties’ van de leerlingen – presenteren de werkgroepjes aan het eind van de projectweek een gezamenlijk eindpresentatie van de gehele projectgroep. De presentaties of werkstukken kunnen overgedragen worden aan musea, archieven, kranten, (deel)gemeentes. De leerlingen krijgen als afsluiting een ‘getuigschrift’ voor hun ‘portfolio’.

Zie voor een voorbeeld bijgaand weekschema. In een dergelijk schema wordt voor leerlingen ook aangegeven: de groepsmentor, de bruikbare lokalen en de vakleraren, die ze kunnen raadplegen voor vakspecifieke hulp.

Projectweek als toepassing en afsluiting

In grote lijnen verloopt een dergelijk project als het vorige maar in de weken voorafgaande aan de projectweek wordt in de vaklessen al leerstof behandeld of worden vaardigheden ingeoefend die de docenten noodzakelijk vinden als projectvoorbereiding. Dit geeft het project een steviger onderwijskundig fundament. Het is beter mogelijk leestofvervangend te werken en binnen de gebruikelijke stof (hoofdstukken, studiewijzers, PTA) een gerichte keuze te maken. Ook de effectiviteit van het leerproces tijdens de projectweek neemt toe en er komt meer tijd voor het oefenen van de ‘hogere cognitieve vaardigheden’, zoals kennis zelfstandig verwerven, kennis toepassen in complexe situaties en algemene vaardigheden, zoals samenwerken, plannen, zelfevaluatie etc.

Project in het reguliere rooster verdeeld over enige weken of een rapportperiode

Inhoudelijk is de opzet gelijk aan de vorige modellen, maar er wordt zo min mogelijk veranderd aan het gebruikelijke rooster en de bestaande groepsindeling. Alle activiteiten worden verdeeld over enkele weken. Alleen zullen op bepaalde dagen dagdelen vrij worden geroosterd voor groepswerkzaamheden binnen en buiten de school. Organisatorisch is deze variant vaak omslachtiger dan beide vorige modellen. Ook de extra energie die nodig is om de motivatie en het enthousiasme bij leerlingen vast te houden, is een extra belemmering.

 

Een plan van aanpak voor een schoolbreed project

Bouwstenen voor de opzet van een plan van aanpak voor een schoolbreed project in de cultuurhistorische omgeving
vooral te gebruiken op het niveau van de projectleiding en het school/afdelingsmanagment
1. Strategische bouwstenen
– Welk motief is er voor de opzet van een dergelijk project?
(versterking van het cultuurprofiel, schoolprofilering, didactische vernieuwing (zelfstandig en actief leren), schoolontwikkeling, versterking van het vakonderwijs)
– Wie neemt het initiatief?
(schoolleiding, afdelingsleiding, werkgroep, vakgroep, individuele vakdocent)
– Op welke manier wordt het initiatief ondersteund?
(studiedag, werkgroep, communicatie en beeldvorming)

2. Organisatorische bouwstenen, de schoolorganisatie
– Wat is de samenstelling van de werkgroep?
(bezielende kwaliteit, organisatorische en onderwijskundige kwaliteit; junior en/of senior?)
– Is er een voorkeur voor een projectaanpak of verwerking in lessen?
– Welke klassen worden erbij betrokken?
– Welke vakken worden erbij betrokken?
– In welke periode van het jaar kan het project het beste plaatsvinden?
– Hoe wordt het opgenomen in jaarprogramma/rapportage/pta?
– Welke interne en externe publiciteit wil de school bewerkstelligen?
– Welke externe financiële ondersteuning is mogelijk?

3. Organisatorische bouwstenen, de externe organisatie
– Waar vindt het project plaats, met welke organisaties wordt samengewerkt?
– Welke kenmerken, valkuilen en sterke kanten hebben deze plekken / organisaties?
– Welke contactpersonen kennen we daar al?
– Op welke manier gaan we externen voorbereiden? wat weten de externe contacten over de ontwikkeling van actief en zelfstandig leren?
– Streeft de school naar een eenmalig contact of naar een langdurige relatie?

4. Didactische bouwstenen
– Aan welke werkvormen zijn de leerlingen gewend?
– Aan welke mate van zelfstandigheid zijn de leerlingen gewend?
– Welke didactische thema’s zijn actueel in de school?
– Welke overige ervaringen heeft de school (hebben individuele docenten) op dit terrein?

5. Inhoudelijke bouwstenen
– Welke vaardigheden wil de school centraal stellen?
– Welke afspraken zijn er betreffende het aanleren van vaardigheden? wat is het startniveau?
– Welke vakken wil de school mee laten doen?
– Welke vakinhouden en vakvaardigheden stellen deze vakken daarbij centraal?

Twee strategieën voor het ontwikkelen van vakoverstijgende projecten/trajecten
Van proces naar doel

1. Bepaal leerjaar / klassen / vakken

2. Kies aantrekkelijk thema en/of locatie

3. Brainstorm over aansprekende (en leerzame) activiteiten voor leerlingen

4. Relevante leerstofinhouden en (kern)doelen identificeren

5. Project uitwerken (onderwijsactiviteiten, organisatie en randvoorwaarden)

Van doel naar proces

1. Bepaal leerjaar / klassen / vakken

2. Bepaal algemene leer- en vormingsdoelen (lange termijn opbrengst)

3. Stel daarvoor relevante leerstofinhouden en concrete doelen vast

4. Kies aantrekkelijk thema en/of locatie om deze concrete doelen te realiseren in samenhang

5. Project uitwerken (onderwijsactiviteiten, organisatie en randvoorwaarden)

Leadership

Erfgoed Acueel Erfgoed Actueel was opdrachtgever van het netwerk Cultureel Erfgoed in de Leerwegen. Erfgoed Actueel is een projectbureau dat tot taak heeft het gebruik van cultureel erfgoed in het onderwijs te stimuleren. Door het opzetten van diverse netwerken bevordert Erfgoed Actueel de samenwerking tussen scholen en culturele instellingen en leert de docent meer gebruik te maken van de cultuurhistorische omgeving van de school.

Floriëlle Ruepert: ‘60% van de leerlingen gaat naar het vmbo, een groep waaraan je niet voorbij mag gaan. Dat het gebruik van cultureel erfgoed goed past in de tweede fase van het voortgezet onderwijs hebben we in het netwerk Van buiten leren gezien. Met dit project wilden we onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om met vmbo-leerlingen te leren in de cultuurhistorische omgeving. Er zijn zulke rijke leerervaringen uit voortgekomen dat we van mening zijn dat meer scholen dit betekenisvolle leren moeten ervaren. Vandaar dat er verschillende publicaties zijn verschenen en we een nieuw project zijn gestart: Sporen

 Cordys-Peter van der Zwaal specialiseert zich in begeleiding van scholen voor voortgezet onderwijs. Hij houdt zich vooral bezig met didactische vernieuwing en hij begeleidt individuen, scholen en netwerken. Van huis uit is hij historicus en hij heeft 25 jaar les gegeven in het voortgezet onderwijs. Dat verklaart voor een deel zijn belangstelling voor het gebruik van Cultureel Erfgoed als Krachtige Leeromgeving. Hij publiceerde eerder Van Buiten Leren (Garant 2001) over het leren in de cultuurhistorische omgeving.

Peter van der Zwaal: ‘de lessen in de school gaan over de wereld buiten de school, wat ligt dan meer voor de hand dan dat je met de leerlingen ook buiten de school laten kijken en onderzoeken. Het leren wordt er zoveel realistischer van! Het heeft ook een belangrijke opvoedende waarde. De leerlingen gaan hun leefomgeving op een heel andere manier bekijken. Ze zien dingen die ze normaal niet zien. De omgeving wordt hun eigen erfgoed.’

CED: Henk Verbeeten ondersteunde het netwerk. Hij is verbonden aan het Centrum Educatieve Dienstverlening (CED) te Rotterdam, een onderdeel van de CED-Groep. De CED-Groep houdt zich onder meer bezig met invoering en begeleiding van onderwijsvernieuwingen, leerlingbegeleiding en onderzoek en ontwikkeling van educatieve producten voor het voortgezet onderwijs en het BVE-veld, voor het primair onderwijs en voor- en vroegschoolse educatie

Henk Verbeeten is ontwikkelingspsycholoog met als specialisatie taalverwerving en leertheorieën. Hij wordt gefascineerd door het gegeven dat jonge mensen – en niet alleen zij – onderwijssituaties, bewust of onbewust, beoordelen op betekenisvolheid en vervolgens in actie komen om er, al dan niet, van of in te ‘leren’. Vandaar ook zijn belangstelling voor cultureel erfgoed als inspiratiebron en uitdagende setting voor krachtige didactische (leer)arrangementen. Hij werkt als innovatie- en organisatieadviseur voor het VO-BVE veld. Zijn ideeen over het gebruik van cultureel erfgoed in het onderwijs beschrijf hij in het artikel Erfgoed als inspiratiebron voor vernieuwend onderwijs.

Links:

www.erfgoedactueel.nl

http://www.cordys.nl/

https://www.concertgebouworkest.nl

 

 

Hulp en ideeën

Veiligheid 

Met leerlingen buiten de school aan het werk gaan levert een aantal andere veiligheidsrisico’s op dan binnen de school werken. Kern van het vergroten van de veiligheid is meer gelegen in de organisatie en de voorbereiding van leerlingen, collega’s de mensen in bijv. een museum, dan in het opvoeren van de controle.

Vragen leren stellen
Als je met de leerlingen naar een museum gaat, is het verleidelijk de vragen voor de leerlingen te bedenken. Soms is het echter belangrijker dat leerlingen vragen leren stellen, dan dat zij (de goede) antwoorden geven. Het is een goede start voor een onderzoek dat de leerlingen moeten gaan uitvoeren. In de twee werkbladen wordt een manier aanschouwelijk gemaakt om voorwerpen van alle kanten te benaderen en groepen vragen te stellen. De groepen vragen zijn op zichzelf goede manieren om te leren systematiseren, schematiseren, vergelijken en samen te vatten.

Voorbeelden van opdrachten

Geïnspireerd door de verhalen en voorbeelden van de docenten heeft Peter van der Zwaal een aantal aanzetten voor opdrachten gemaakt. Klik op het trefwoord om de opdracht te downloaden.

Replica Een oud voorwerp opnieuw maken (pso, techniek, handvaardigheid, beroepsvoorbereidende programma’s)

Van veel historische voorwerpen is een moderne replica te maken. Dat kan je zo historisch mogelijk doen maar je kan er ook voor kiezen om het in moderne materialen uit te voeren. Leerlingen laten zich inspireren door de oude voorwerpen of afbeeldingen van de oude voorwerpen. In de strijdwagen die leerlingen van B.C.Broekhin (Swalmen) maakten is te zien dat er gebruikgemaakt werd van moderne lastechnieken. De strijdwagen is misschien niet authentiek geworden, maar het leren van de leerlingen wel!

Piet Hellenbrandt, docent metaaltechniek aan het Bisschoppelijke College Broekhin locatie Swalmen is in het kader van het project “Middeleeuwen”  met zijn leerlingen naar het museum in Asselt geweest om onderzoek te doen naar de manier waarop harnassen en wapens werden gemaakt. ‘Natuurlijk ga ik met de leerlingen in het museum om de hoek kijken wat daar uit de Middeleeuwen aan spul ligt. Een mooie aanzet voor ons project en ze gaan op een andere manier het museum in. Als ze slim zijn maken ze meteen een verslag voor CKV , dan snijdt het mes aan twee kanten!’

In 2004 maakten de leerlingen een Romeinse strijdwagen. Het bezoek van het museum heeft voor de leerlingen een functie. Zij moeten er bekijken hoe de strijdwagen of het harnas eruit zien.

Oud en nieuw Oude ambachten herleven in moderne industriele toepassingen (pso, geschiedenis).Van veel voorwerpen is een oude en een moderne versie. Soms is het nieuwe voorwerp nauwelijks veranderd, zoals bij de naald die de kleermaker in de gravure van Jan Luycken gebruikt. Soms ook zijn er wel veranderingen, een ander materiaal of een andere vorm. Soms is een voorwerp of een beroep verdwenen en heeft een nieuw voorwerp of beroep de functie overgenomen. Er bestaan nog wel kleermakers, maar het merendeel van de kleding wordt niet door de kleermaker gemaakt. Weten de leerlingen eigenlijk wel waar hun kleren gemaakt worden?

Kan Jan Luyken de start zijn van een zoektocht naar hun wereld?

Kiosk Maten en gewichten leren schatten en hanteren (wiskunde, natuurkunde). Voor de Munsterkerk in Roermond staat een kiosk waarin muziekuitvoeringen ten gehore gebracht worden. De kiosk moet worden ingepakt om op 11 november door de Prins te worden uitgepakt. Hoeveel m2 pakpapier moet je bestellen? Bereken het oppervlak door lengte, breedte en hoogte in te schatten.
Om het feest compleet te maken wordt de kiosk door een gaatje in het dak met bier gevuld. Hoeveel liter moet je bestellen?
In elke stad en in elk dorp staan (historische) gebouwen waarmee je omtrek, oppervlak en inhoud kan oefenen. Prima om de rekenvaardigheid van je leerlingen op peil te houden!
Graffiti Onderzoek doen naar vormen en kleuren en de reslutaten presenteren (Nederlands, handvaardigheid, tekenen, beeldende vorming, ckv)Oude gebouwen zijn soms van zandsteen gemaakt en al eeuwenlang krassen mensen er namen, woorden en tekens in. Een tamelijk nieuw verschijnsel is graffiti met viltstiften en spuitbussen. Aan dat laatste maken jullie leerlingen zich misschien ook wel schuldig. Je kan het misschien gebruiken als thema voor onderzoek, verslag en discussie.

Een idee voor een opdracht voor Nederlands en maatschappijleer, beeldende vorming en CKV

Fotografeer zes verschillende graffiti’s en geef er je commentaar bij. Denk aan vragen als:
 Welke graffiti vind je mooi, welke lelijk? waarom (argumenten)
 Is graffiti kunst of is het een vervuilende aantasting van gebouwen?
 Rotstekeningen – waren dat niet de eerste graffiti? Zou je graffiti dus kunnen zien als cultureel erfgoed?
Je kunt gaan praten met schoonmakers van de gemeente die graffiti moeten verwijderen, en met graffitimakers.
Sluit het project af met een tentoonstelling van graffiti met argumenten voor en tegen.

Presentatie Presentatievaardighedencentraal stellen, een echt publiek als rijke context (Nederlands, mvt, geschiedenis, aardrijkskunde, De opdracht was zoiets als: zorg als klas voor een boeiende rondleiding voor een groep volwassenen rond het droogdok Jan Blanken. De leerlingen kregen allemaal een stukje van het werk sommigen hielden de rondleiding uit het hoofd anderen hadden een spiekbriefje in de hand. De leraren Nederlands en geschiedenis waren allebei tevreden.
In elk dorp of stad is een omgeving, object of tentoonstelling waar rondgeleid kan worden.
maatschappijleer)
Stenen Een onderzoek doen naar het karakter van bestrating (beeldende vakken, ckv).Op het plein zijn verschillende soorten bestrating gebruikt. De ontwerper van het plein heeft er lang over nagedacht en bepaalde keuzes gemaakt. Hebben leerlingen er een mening over? Welke bestrating is met meest ‘dood’, welke het meest ‘levend’?
Welke bestrating zouden ze kiezen voor op het schoolplein: asfalt om op te skaten?
Wolkje Creatief of meer gericht schrijven (Nederlands, mvt, geschiedenis, aardrijkskunde, maatschappijleer) Op het bankje zit een bronzen man.
Stel leerlingen vragen om hun creativiteit te prikkelen: Waarom zit hij daar? Hoe oud is hij en hoe heet hij? Wat was zijn beroep? Waar denkt hij aan? Wat vindt hij van zijn omgeving? Wat zou hij gaan doen als hij kon weglopen?
Hoe ouder de beelden hoe meer ze meegemaakt hebben en hoe meer vragen je kunt bedenken. En met die antwoorden heb je zo een compleet verhaal. Vraag de leerlingen ook naar de geur die er vroeger gehangen heeft en naar typische geluiden uit de tijd waarin het beeld is neergezet.
Laat de leerlingen met een digitale camera beelden fotograferen, er dit soort vragen bij bedenken en antwoorden geven. Misschien wordt het wel een heel verhaal!

Werkmateriaal

De docenten van de vijf scholen hebben in de loop van de twee jaren dat het netwerk actief was allerlei materiaal gemaakt dat in de eigen les of in vakoverstijgende projecten gebruikt is. Het materiaal natuurlijk geschreven voor de eigen omgeving en de eigen school. Het zal in veel gevallen niet direct bruikbaar zijn in andere scholen en in andere gebieden. Het is materiaal is echter goed bruikbaar als bron van inspiratie en het meeste materiaal is als worddocument te downloaden en op de eigen computer te bewerken.

Het Kandinsky College maakte materiaal voor drie vakoverstijgende projectweken voor de 1e, de 2e en de 3e klas bbl-lwo, bbl en kbl.

Wim de Gier, docent geschiedenis van GSG Helinium maakte materiaal dat vooral voor geschiedenis te gebruiken is, maar de werkwijze is ook bij vakken als aardrijkskunde, maatschappijleer, beeldende vakken te gebruiken. Hij maakte ook materiaal voor een studiemiddag met collega’s.

Netwerk

Het Kandinsky College locatie Hatertseweg maakt deel uit van een brede scholengemeenschap met onderwijs op VMBO- niveau (inclusief LWOO) tot en met tweetalig VWO.

Op de locatie Hatertseweg zijn de VMBO basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerweg gevestigd. In de bovenbouw worden de sectoren economie en zorg & welzijn aangeboden. De VMBO opleiding sport, dienstverlening en veiligheid hoort eveneens bij deze locatie, maar is elders gehuisvest. In totaal gaat het hierbij om ongeveer 625 leerlingen.

Het Kandinsky College kent zowel in de onderbouw als in de bovenbouw een leerwerkhuisstructuur. De traditionele koppeling – klas – lokaal – docent is doorbroken. De leerlingen leren in een brede setting samenwerken, zelfstandig werken en hebben in grote mate zelfverantwoordelijkheid en worden gestimuleerd om eigen keuzes te maken. Het programma is modulair opgebouwd en ontwikkelt zich sterk in de richting van leergebieden (domeinen).

GSG Helinium is een school voor voortgezet onderwijs die opleidt voor vmbo (lwo, bbl, kbl, gl en tl), havo of vwo. De school heeft ca. 1500 leerlingen.

GSG Helinium stelt zich als doel haar leerlingen optimaal voor te bereiden op de samenleving. Om die reden legt het Helinium accenten bij zelfstandigheid, individualiteit, zelfontplooiing, samenwerken, recht doen aan anderen, respect en veiligheid. Binnen het onderwijs neemt cultureel erfgoed een bijzonder plaats in. Door de woon- en leefomgeving als uitgangspunt te nemen van het onderwijs worden wegen gezocht en gevonden om daadwerkelijk onderwijsvernieuwend en teamvormend actief te zijn. Ook dit past binnen de doelstellingen van het Helinium-onderwijs.

College De Brink is een regionale, bijzonder neutrale scholengemeenschap. De leerlingen zijn afkomstig uit alle plaatsen van het Gooi en omstreken. Het opleidingsaanbod omvat de theoretische leerweg, de gemengde leerweg, de beroepsgerichte leerweg en het leerwegondersteunend onderwijs. De leerlingen kunnen kiezen uit verscheidene programma’s in de sectoren techniek, economie en zorg & welzijn.

College De Brink heeft de beschikking over 2 nieuwe, moderne gebouwen die door een grotendeels glazen luchtbrug met elkaar verbonden zijn en een wat ouder gebouw. Deze gebouwen vormen de huisvesting voor ongeveer 1000 leerlingen.

College Broekhin Jenaplanafdeling In de hoofdvestiging in Roermond volgen leerlingen Vmbo-t, Havo, Atheneum of Gymnasium. In de nevenvestigingen ‘Broekhin Jenaplanafdeling” in Swalmen, Reuver en het Zorgcentrum zijn er vmbo-afdelingen gevestigd voor Bouw-, Elektro- en Mechanische techniek, Handel & Verkoop en Verzorging. Alle leerwegen (bbl, kbl, gl en tl) zijn daarbij mogelijk inclusief LWOO.

In de afdeling in Swalmen zitten ca. 600 leerlingen, in Reuver volgen ca. 350 leerlingen les en in het Zorgcentrum zitten ongeveer 50 leerlingen.

De vestigingen in Swalmen en Reuver hebben het onderwijs ingericht op basis van uitgangspunten van de Jenaplangedachten, waarbij het er in het kort op neer komt dat elke individuele leerling als mens uniek is en dat het onderwijs daarop moet aansluiten. Leerlingbegeleiding en mentoraat worden als zeer belangrijk beschouwd. Er worden regelmatig leerprogramma’s en projecten ontwikkeld met een buitenschools karakter

Het Grafisch Lyceum (GLR) is onderdeel van een verticale scholengemeenschap. In de vmbo-afdeling (bbl, kbl, gl en tl) zitten ruim 400 leerlingen die gekozen hebben voor een opleiding in de Grafi-Media sector. Bij de toelating worden leerlingen gescreend op hun affiniteit met deze sector: vinden ze werken met computers leuk en hebben ze gevoel voor exacte vakken? De school heeft het actief leren van de leerlingen centraal staan. Er wordt veel aandacht besteed aan het aanleren van vaardigheden. Er wordt veel met computers gewerkt.

Buiten kansen

Stuur je de leerlingen wel eens naar buiten, om onderzoek te doen of om vragen te stellen? In de omgeving is immers van alles dat goed te gebruiken is: die oude brug waar je leerlingen elke dag langs komen, of dat leegstaande fabrieksgebouw naast de school. Of speel je alleen met die gedachte maar weet je niet waar je moet beginnen en wat er allemaal aan vast zit? Helemaal op je eentje het wiel uitvinden, alsof je nog niet genoeg te doen hebt!

Enkele jaren geleden dachten docenten van vijf netwerkscholen dat ook. Daarom hebben ze toen een netwerk gevormd. Zij bieden je nu van harte hun ervaringen aan, opgedaan in veel projecten binnen én buiten de school, binnen het eigen vak én vakoverschrijdend.

Waarom ze deze moeite doen? Omdat ze ‘superenthousiast’ zijn geraakt over deze veelzijdige manier van werken en omdat onze vmbo-leerlingen er erg veel van opsteken en er plezier aan beleven.

netwerk
hier vind je:

  • de gegevens over de netwerkscholen en de namen van contactpersonen;
  • de geschiedenis van het netwerk;
  • informatie over het scholennetwerk SPOREN.

werkmateriaal
hier kan je de voorbeelden van lessen, die de netwerkscholen hebben gemaakt, downloaden om te bewerken en te gebruiken. Als een pagina downloads bevat, verschijnen die meestal aan de linkerkant van de pagina onder het menu in een apart tabelletje dat downloads heet.

hulp en ideeën
op deze bladzijde staan:

  • instrumenten en checklists die door anderen dan docenten gemaakt zijn;
  • de gegevens van ondersteuningsinstellingen;
  • nog niet helemaal uitgewerkte ideeën;
  • verwijzingen naar websites en hulpbronnen.

artikelen
op deze bladzijde staan enkele artikelen over het werken met erfgoed.

bestelblad
op deze bladzijde kunnen publicaties besteld worden

Het ontstaan van het netwerk

In januari 2002 kwamen vertegenwoordigers van zes scholen bijeen in Laren om de eerste ideeën uit te wisselen over werken met en in de cultuurhistorische omgeving. De scholen van dit Netwerk lagen gespreid over Nederland: in Amsterdam, Rotterdam, Nijmegen, Hellevoetsluis, Laren, Swalmen en Reuver.

De deelnemende scholen boden een doorsnede van de Nederlandse vmbo-scholen: er waren scholen bij met een binnenstadsproblematiek en er waren scholen bij uit een meer landelijke omgeving; er waren scholen bij die tot de ‘traditionele vernieuwers’ horen en scholen die volop bezig waren ‘het nieuwe leren’ vorm te geven. Er was een vakschool bij en er waren scholen met drie sectoren en een veelheid aan afdelings- en intersectorale programma’s.

Activiteiten van het Netwerk

In de loop van de ruim twee jaar dat het netwerk bestaan heeft, is er een tiental bijeenkomsten geweest waarop telkens voorbeelden uit de scholen besproken werden en/of een inhoudelijk of didactisch thema uitgediept werd. In september 2002 maakten vertegenwoordigers van de deelnemende scholen een studiereis naar Liverpool om daar good practices te bekijken en de Engelse voorbeelden naar de Nederlandse situatie te vertalen.

In 2003 moest een van de scholen zich terugtrekken uit het netwerk, omdat de netwerkdoelen toch niet voldoende bleken te passen in de eigen schoolontwikkeling. De vijf andere scholen maakten in de loop van de twee netwerkjaren elk eigen keuzes, passend bij de doelstellingen en tradities van de school. Dit leverde een grote verscheidenheid aan ervaringen op, die door de projectleiders van de diverse scholen te boek zijn gesteld in Buitenkansen. Voor docenten is eenmalig het tijdschrift Magazijn vol buitenkansen verschenen dat is verspreid over alle vmbo-scholen in Nederland.